praktijk

Hieronder volgt een gedeelte van hoofdstuk 1 uit het boek ‘De praktijk van oplossingen, gevalsbeschrijvingen uit de oplossingsgerichte gesprekstherapie’ van Insoo Kim Berg en Yvonne Dolan, uitgeverij Pearson, Amsterdam, 2002, ISBN 90-265-1725-4. Deze tekst kun u ook downloaden als word-document.

 

Oplossingsgerichte Therapie (OT, in het engels SF(B)T, Solution Focused (Brief) Therapy) is een therapeutisch model dat wereldwijd in toenemende mate aandacht en populariteit verwerft omwille van de inherente respectvolle benadering. Therapeuten die het OT-model gebruiken betuigen hun respect voor de cliënten op een actieve en consequente manier. Ze doen dit door vragen te stellen die ontworpen zijn om de wensen en verwachtingen van de cliënten te valideren. Bovendien zal de therapeut de in het verleden door de cliënt geboekte successen erkennen en inbouwen in het therapeutisch proces.

Indien we deze benadering in één enkele zin zouden moeten omschrijven zonder over de filosofie en de technieken te spreken, dan zouden we OT definiëren als ‘de pragmatiek van hoop en respect’. In plaats van zich te concentreren op de tekorten bij de cliënten zullen OT-therapeuten hen eerder zien als competente en vindingrijke individuen. OT-therapeuten proberen niet om hun cliënten op te voeden of hen ‘het licht te doen zien’. Ze verkiezen er echter voor de cliënten te zien als mensen met positieve eerder dan negatieve intenties. Een OT-therapeut aanvaardt onvoorwaardelijk de mening van de cliënt. De therapeut gebruikt de perceptie van de cliënt als waardevolle hulpbron bij het realiseren van de verandering die door de cliënt gewenst wordt.

De ontwikkeling van de OT-benadering
Oorspronkelijk werd OT ontwikkeld in een sfeer van rebellie tegen de traditionele psychotherapeutische vooroordelen over mensen, levensproblemen en de oplossing ervan. Niet verwonderlijk dus dat dit model weinig traditionele standpunten hanteert over het ontstaan van verandering en de rol die de therapeut hierbij kan spelen Dit onderscheid heeft geleid tot een effectief en efficiënt gebruik van twee van de meest waardevolle, maar gelimiteerde energiebronnen in de hedendaagse wereld: tijd en geld.

Bij de start was OT het resultaat van inspanningen vanuit een team, nu is OT in de afgelopen dertig jaar geëvolueerd tot het model zoals het thans gekend wordt. De initiële samenstelling en werking van het team oefenden een diepgaande invloed uit op de ontwikkeling van het model. De wieg van OT stond in Milwaukee, een middelgrote Amerikaanse stad gelegen ten noorden van Chicago. De beginjaren van de stad zijn nauw verbonden met het samensmelten van de autochtone bevolking met de Duitse en Poolse immigranten. En alhoewel de stad tumultueuze veranderingen heeft gekend, bouwden de inwoners een reputatie op van harde werkers die met beide voeten op de grond staan. Ze hanteren een ‘rechtdoorzee’ levensvisie bij het overleven van harde winters en de problemen van het dagelijks leven in het algemeen.

De teamleden waren afkomstig uit verschillende academische disciplines zoals geneeskunde, psychologie, maatschappelijk werk, onderwijs, sociologie, filosofie, linguïstiek en zelfs biologie en techniek. Zoals dat in het leven gaat onderging de samenstelling van het team talrijke veranderingen. Twee figuren bleven tijdens de gehele ontwikkeling van het model volharden: Steve de Shazer en Insoo Kim Berg bleven het meest toegewijd aan de ontplooiing van OT tot het huidige model. Samen zijn ze geëvolueerd tot de meest vooraanstaande pioniers en woordvoerders van deze wereldwijd vertakte ‘beweging’.

Aansluitend hebben sindsdien heel wat therapeuten, intellectuelen, docenten en onderzoekers met het gebruik van het model geëxperimenteerd binnen diverse bevolkingsgroepen in de meest uiteenlopende situaties zoals het psychiatrisch werkveld, scholen, gevangenissen, woongemeenschappen, gezinnen, zakenwereld, tehuizen voor daklozen en zelfs in de wijk. Bevolkingsgroepen waarbij het model reeds succesvol werd gebruikt zijn onder andere ouders, ouders van baby’s met problemen ten gevolge van drug- of medicatiegebruik, bejaarden, Aids-patiënten, slachtoffers van misdrijven, werklozen, zakenlui en openbare besturen.

Regelmatig wordt OT omschreven als een benadering die clinici uitnodigt om te denken en te handelen ‘vanuit een doos’. Het model werd eerder inductief dan deductief ontwikkeld. Het resultaat is een uiterst respectvolle benaderingswijze die het standpunt inzake gezondheid veel uitgebreider maakt dan de eenvoudige classificatie in ‘pathologisch’ of ‘ongezond’. En alhoewel OT het hiërarchisch model van de relatie tussen therapeut en cliënt erkent, aanvaardt en er gebruik van maakt, is deze relatie niet gebaseerd op autoriteit, maar is eerder gelijkwaardig en democratisch gestructureerd.

Het is opvallend dat OT therapeuten zelden een oordeel formuleren over wat de cliënten willen en nastreven. Ze stellen echter een reeks vragen die de keuzemogelijkheden van de cliënt uitbreidt in plaats van beperkt. Dit wordt omschreven als ‘leiden van één stap achter’ (Cantwell & Holmes, 1994). Deze uitdrukking impliceert dat de OT-therapeut niet verlegen is om de leiding te nemen, maar dat hij niet zal proberen de cliënt om te praten of in een bepaalde richting te duwen of te trekken. Vanuit ‘de achtergrond’ gidst de therapeut de cliënt voorzichtig door hem ‘schouderklopjes’ te geven. En onderweg vraagt de therapeut of de cliënt de mooie zonsopgang heeft opgemerkt of oog heeft gehad voor het kleine, in de wind heen en weer wiegende wilde bloemetje. Deze ‘schouderklopjes’ zijn de vragen die de therapeut stelt om de cliënt uit te nodigen tot een nieuwe kijk op het vertrouwde beeld. De cliënt bepaalt uiteindelijk wat hij verkiest te doen met deze nieuwe kijk op de zonsopgang of het wilde bloemetje. Het is van het grootste belang dat deze keuze mogelijk gemaakt wordt. OT-therapeuten ondervonden ook dat bepaalde formuleringen van de vragen betere antwoorden opleverden.

Creëren van en onderhandelen over de toekomst
OT-therapeuten geloven dat de toekomst gedeeltelijk gecreëerd wordt en deels wordt onderhandeld. Dit betekent dat we geen slaven zijn van ons verleden en dat onze toekomst niet vooraf is bepaald door ervaringen uit het verleden of familiale voorgeschiedenis. We aanvaarden uiteraard dat onze familiale, culturele en etnische achtergrond onze manier van handelen gestalte geeft. Vanuit dit vertrekpunt is het echter mogelijk om een creatief en onderhandelbaar proces te maken van de ontwikkeling van de persoon die je wilt zijn.

De nadruk ligt dus op het vragen aan de cliënt welke toekomst hij voor zichzelf wenst en hoe dit toekomstbeeld zal kunnen samengaan met zijn opvattingen over zijn gestelde doelen. Er wordt dus geen nadruk gelegd op de voorgeschiedenis van de cliënt -hoe slecht hij zich heeft gevoeld of hoe traumatiserend het verleden is geweest. De OT-therapeut bekijkt de toekomst van de cliënt op een optimistische en zeer hoopvolle manier en probeert deze visie op de cliënt over te brengen.
Deze optimistische visie wordt volgehouden, zelfs indien de werkelijkheid het tegenovergestelde lijkt.

Sommige cliënten zullen aanvoeren dat ze hun verleden willen kunnen begrijpen voordat ze werk kunnen maken van hun toekomst. Het is echter logisch als we stellen dat zelfs zonder het volledig begrijpen van hun verleden, cliënten er toch in zijn geslaagd om verder te leven. Ze deden dat door te werken, naar school te gaan, te trouwen, kinderen te krijgen, een huis te kopen, enzovoort. Natuurlijk zullen we niet proberen dat uit te leggen aan de cliënt: het is immers zijn wens om het verleden te begrijpen. De meeste professionelen alsook leken zijn ervan overtuigd zijn dat we inzicht nodig hebben in ons verleden om iets te verwezenlijken, zelfs al is dit inzicht niet altijd even helemaal duidelijk.

Wij zijn van oordeel dat er verschillende manieren bestaan om het verleden te begrijpen of om gebeurtenissen uit het verleden te interpreteren. Het is onze taak om de cliënt te helpen bij het vinden van de meest nuttige en bruikbare manier om het verleden te interpreteren of er een betekenis aan te geven. Hoe zeer de cliënt er ook voor kiest om dit te doen, wij moeten van onze kant geïnteresseerd blijven in de manier waarop dit nieuwe begrip invloed zal uitoefenen op de beslissingen van de cliënt over zijn toekomstig leven. Om deze redenen zijn de volgende vragen nuttig en bruikbaar:

· ‘Ik kan begrijpen dat je zin wilt geven aan dat vreselijke voorval uit je jeugd. Veronderstel dat je erin slaagt om je verleden op een bevredigende manier te begrijpen, wat zou je dan doen wat je nu niet doet ?’
· ‘Veronderstel dat je het verleden nu meteen zou begrijpen. Wat voor verschil zou dat voor jou uitmaken ? ’

Hoe meer we spreken over de verschillen, des te meer we de nadruk leggen op de veranderingen die de cliënt zal aanbrengen.

Oplossingen uitwerken versus problemen oplossen
Volgens De Jong en Berg (1998) bestaat er een fundamenteel verschil tussen het denken en handelen gericht op het uitwerken van oplossingen, en het denken en handelen gericht op het oplossen van problemen. Dit oplossen van problemen wordt vaak omschreven als het ‘wetenschappelijk’ of ‘medisch’ model. In eenvoudige termen kunnen we het oplossen van problemen als volgt begrijpen. Eerst wordt er informatie verzameld om het probleem te kunnen bepalen. Hiervoor kan het nodig zijn de geschiedenis van het ontstaan van het probleem te achterhalen en een gedetailleerde beschrijving van de symptomen te geven. In een volgende fase worden allerlei veronderstellingen geopperd rond de mogelijke onderliggende oorzaken van het probleem. Daarna wordt één en ander in detail geanalyseerd en wordt de hieruit voortvloeiende keuze inzake behandeling gemaakt. Ten slotte wordt het behandelplan dat het probleem zal oplossen of verbeteren voorgeschreven en in werking gesteld.

In tegenstelling hiermee wordt in OT bij het uitwerken van de oplossingen vertrokken van de beschrijving die de cliënt geeft van de veranderingen die hij in zijn leven wil bereiken. In feite kan men het beschouwen als het beginnen met het einde van het verhaal in plaats van het starten met de problemen. De meeste mensen zijn gewoonlijk bezorgd over wat ze in hun leven kwijt zullen raken en minder over wat ze kunnen opbouwen. Het is daarom helemaal niet verwonderlijk dat zowel clinici als cliënten ervaren dat het formuleren van haalbare doelstellingen vaak moeilijker is dan verwacht. De tweede stap bij het uitwerken van oplossingen is het op zoek gaan naar momenten die erop wijzen dat de cliënt reeds kleine delen ervaart of ervaren heeft van het leven, zoals hij zich dat als toekomst heeft voorgesteld. Op dat ogenblik wijken we als OT-therapeuten nog verder af van de traditionele therapeutische modellen. Meestal realiseren we de volgende stap door het stellen van de ‘wondervraag’.

De wondervraag: geboren uit wanhoop
De wondervraag is een techniek die de cliënt in staat stelt om zijn voorkeuren inzake resultaten te ontwikkelen en te beschrijven. Met resultaat bedoelen we wat de cliënt in zijn leven wil zien gebeuren als een gevolg van de therapie. De oorsprong van deze techniek is op zichzelf reeds een interessant verhaal. Halverwege de jaren tachtig had ik (Insoo Kim Berg) een gesprek met een zeer vermoeide, depressieve en suïcidale moeder die zichzelf beschreef als iemand die in het leven geen uitweg meer zag. Ze had geen enkele vat meer op haar vier kinderen en op school werd er bijna dagelijks geklaagd over hun gedrag. Haar man was verslaafd aan alcohol en had moeite om langer dan zes maanden op hetzelfde werk te blijven terwijl ze zichzelf in een staat van uitputting had gewerkt. Er was niet het minste vooruitzicht op beterschap.

Ik vroeg op optimistische toon ‘Wat denk je dat het resultaat zou moeten zijn van onze bijeenkomst vandaag, opdat je zou kunnen zeggen dat het de moeite waard was?’ De cliënte keek mij aan, slaakte een diepe zucht en zei droevig ‘Ik weet niet zeker of er ook maar iets gedaan kan worden aan mijn leven. Ik wil niet grof zijn, maar ik weet zelfs niet waarom ik met je aan het praten ben, omdat ik er niet zeker van ben dat er iets aan gedaan kan worden.’
Ik was enigszins ontmoedigd door dit pessimistische antwoord en wist niet goed wat ik moest zeggen. Ik bleef dan ook een moment stil. Ogenschijnlijk toevallig voegde de moeder er vervolgens aan toe: ‘Tenzij je een wonder kunt verrichten.’ Geconfronteerd met dergelijke uitgesproken hopeloosheid wist ik niet echt wat ik moest zeggen. Maar ik meende dat ik misschien de gedachte van het wonder moest volgen. En met een zachte stem vroeg ik dan ook voorzichtig: ‘Oké, veronderstel dat er een wonder gebeurt, wat zou er dan veranderd zijn voor jou?’ En het antwoord kwam. De cliënte kikkerde op en maakte een lange lijst van de dingen die in haar leven eenvoudiger zouden zijn. Het begon met het hebben van meer energie en het gevoel opnieuw in staat te zijn haar taak als opvoedster van haar kinderen waar te maken. Daarna beschreef ze wat er zou veranderen tussen haar en haar echtgenoot en hoe haar kinderen zich zouden ontwikkelen.

Wellicht heeft iedereen wel eens cliënten die met dergelijke verhalen komen, misschien zelfs wel meerdere keren. Wat mij in het bijzonder in staat stelde om erg aandachtig te zijn in deze situatie was het feit dat ik voldoende wanhopig was om echt aandacht te besteden aan de cliënt en het idee van het wonder. Ik was gefascineerd door het antwoord en ging uitgebreid in op haar ideeën over de veranderingen in haar leven en op haar onmogelijke kinderen.

Na heel wat experimenten met uiteenlopende formuleringen kwam men tot de volgende thans gangbare versie van deze wondervraag. Deze versie is verrassend toepasbaar in een brede waaier van culturele achtergronden, bevolkings- en leeftijdsgroepen en soorten problemen.

‘Ik ga je een nogal vreemde vraag stellen. (pauze) Dit is de vreemde vraag: (pauze) na ons gesprek ga je terug naar je werk (huis, school) en je zult voor de rest van de dag doen wat je gewoonlijk doet zoals voor de kinderen zorgen, koken, eten, televisie kijken, de kinderen een bad geven, enzovoort. Het zal dan tijd worden om te gaan slapen. Iedereen in het gezin is rustig en jij bent vredig aan het slapen. In het midden van de nacht gebeurt er een wonder en het probleem dat je ertoe bracht om vandaag met mij te komen praten is opgelost! Maar aangezien dit gebeurt terwijl je slaapt, kun jij op geen enkele manier weten dat er een nachtelijk wonder is gebeurd dat het probleem heeft opgelost. (pauze) Wat zal, als je morgenochtend opstaat, het kleine verschil kunnen zijn dat je zal doen zeggen ‘Tjee! Er moet iets gebeurd zijn, het probleem is weg.’

Als je zorgvuldig de reacties van de cliënt op deze vraag in de gaten houdt, kan je vaststellen dat hij verschillende observeerbare veranderingen ondergaat. Hij kan de indruk geven aandachtig en ingetogen te worden terwijl zijn lichaam ontspant. We zien vaak dat hun pupillen groter worden en dat ze gaan knipperen met hun ogen terwijl ze over de vraag nadenken. Sommige cliënten glimlachen omdat ze als het ware door de ervaring geabsorbeerd worden. Therapeuten die vertrouwd zijn met inductie en het gebruik van trance in Ericksoniaanse hypnotherapie zullen vaststellen dat bij OT de cliënt bij het stellen van de wondervraag aanvankelijk een reactie vertoont die vergelijkbaar is met trance.

Het meest gebruikelijke eerste antwoord van de cliënt nadat hij enkele ogenblikken over de wondervraag heeft nagedacht, is ‘Ik weet het niet.’ Wanneer dit gebeurt, moet de therapeut zich geen zorgen maken en niet denken dat de vraag niet begrepen wordt of dat de cliënt niet in staat zou zijn om een oplossing te bedenken. De therapeut zou echter rustig een ogenblik moeten pauzeren om de cliënt zo volop de tijd te gunnen zijn gedachten te ordenen en alles op een rijtje te zetten. Deze korte pauze is een klein, maar uiterst belangrijk detail. Afhankelijk van de persoonlijkheid en de stijl van de cliënt kan het een paar seconden tot zelfs enkele minuten duren voordat hij zich vanuit het stadium van de trance kan heroriënteren en een antwoord op de vraag kan formuleren.

In de afgelopen jaren raakten we nogal gefascineerd door de manier waarop cliënten bijzonder innige en belangrijke verklaringen aflegden na een inleiding met de woorden ‘ik weet het niet.’ We hebben geleerd juist dán heel aandachtig te luisteren wanneer de cliënt ‘ik weet het niet’ zegt op een nadenkende en twijfelende toon. Deze woorden worden opvallend vaak gevolgd door een verhelderende verklaring die aangeeft dat er een belangrijke verschuiving is opgetreden in de manier waarop de cliënt denkt over zijn leven. We hebben vastgesteld dat ‘ik weet het niet’ vaak de aanloop vormt tot een nieuw idee dat de cliënt overweegt, zoals bijvoorbeeld terug naar school gaan, de mishandelende partner verlaten, het vinden van werk of het in handen nemen van zijn leven op de één of andere betekenisvolle manier.

Toen ik (Yvonne Dolan) dit fenomeen voor het eerst observeerde dacht ik dat het misschien alleen typisch was voor mishandelde vrouwen, het soort cliënten met wie ik op dat ogenlik aan het werken was. Het leek logisch dat iemand die mishandeld was zou kunnen twijfelen aan zijn eigen perceptie en daardoor ‘Ik weet het niet’ zou gebruiken als een soort ontwijkend antwoord. Maar dan merkte ik op dat de verschillende mannen het ook deden en niet alleen mensen die mishandeld waren of een trauma hadden ondergaan. Later stelde ik mij de vraag of het een culturele nuance was, typisch voor het Mid-Westen van de Verenigde Staten van Amerika waar ik werkzaam was. Maar toen ik later cliënten begon te zien van veel verschillende culturen binnen en buiten de VS, realiseerde ik mij dat het ook voor hen karakteristiek was. Sindsdien heb ik geleerd dat wanneer de cliënt op de wondervraag antwoordt met ‘Ik weet het niet’ vooraleer te pauzeren en dan verder te spreken, ik kan verwachten dat hij mij nieuwe en intieme informatie over zichzelf zal toevertrouwen. Bovendien gebruikt hij dit ontwijkende ‘Ik weet het niet’ als een linguïstische bladwijzer die hem meer vrijheid bezorgt tijdens het nadenken. ‘Ik weet het niet’ impliceert ook dat wat hij op het punt staat te uiten geen zekerheden zijn. Hieruit vloeit voort dat ze de moed kunnen opbrengen om tot op dat ogenblik onuitgesproken hoop en dromen onder woorden te brengen wat de Ierse tekstschrijver Van Morrison zo alleszeggend ‘de onverstaanbare taal van het hart’ noemde. En dit alles begint met het stellen van de ogenschijnlijk eenvoudige wondervraag.

Wanneer de cliënt op de wondervraag geantwoord heeft, is het vervolgens de taak van de therapeut om verder te bouwen op het kleine begin van de voorgestelde oplossing. Hij doet dit door een toenemend gedetailleerde beschrijving te vragen van hoe het leven van de cliënt er dan beter zal uitzien. Het gebruik van schalen is een belangrijk instrument om de cliënt in staat te stellen een levendige en gedetailleerde voorstelling te maken van de oplossing.

Schaalvragen
Ieder mens lijkt een ongelimiteerd verlangen te hebben om te meten, te tellen, te vergelijken, in kaart te brengen en om uit te maken waar hij staat in verhouding tot iets anders. Zelfs grootouders doen dit met hun kleinkinderen. Zo steekt grootmoeder haar handen evenwijdig voor zich uit en vraagt liefdevol aan haar kleinkind ‘Hoeveel hou je van oma? Zoveel of (terwijl ze de afstand tussen haar handen een beetje groter maakt) zoveel?’ En het ziet ernaar uit dat de spruit het verschil tussen het wijder maken of het verkleinen van de ruimte tussen de handen heeft begrepen, want ze antwoordt heel passend om oma te behagen.

Wij zien het gebruik van schalen als een middel tot verankering dat de cliënt toelaat zijn eigen situaties te meten, te schatten en te evalueren. Het helpt hem het volgende stadium van vooruitgang te visualiseren en de benodigde inspanning vast te stellen die hij zal moeten kunnen leveren. In verschillende van de verhalen verder in dit boek stellen de therapeuten aan hun cliënten de volgende fundamentele schaalvragen:

‘Op een schaal van 0 tot 10, waarbij 10 betekent dat je leven zo goed verloopt als het maar kan, en 0 je het gevoel hebt dat dit de slechtste dag van je leven is, waar zou je zeggen dat je in verhouding tot 10 thans staat?’

Uiteraard bestaan er talrijke manieren om de cliënt te vragen om zijn situatie in te schatten en te vergelijken. Je zult bij het doornemen van het boek deze verschillende variaties ontmoeten en het kan zijn dat je zelf verschillende manieren vindt om ze toe te passen in je eigen werksituatie. Als ik (Yvonne Dolan) bijvoorbeeld werk met cliënten die niet van cijfers houden, gebruik ik soms symbolen. Zo tekende een zesjarig meisje dat treurig was en zich beter wilde voelen aan de ene kant van een horizontale lijn een gefronst gelaat en aan de andere kant een tevreden gelaat. Ze bracht deze stemmingschaal thuis zeer snel in verband met een spelletje dat er in bestond om een merkteken over een bord te bewegen om een doel te bereiken aan de andere kant van het bord. Door de structuur van de schaal te gebruiken was ze in staat sommige activiteiten te ontdekken die haar zouden helpen om zich een beetje beter te kunnen voelen, zoals bijvoorbeeld een gesprekje aan de telefoon met haar vader die onlangs het huis had verlaten.

Emotionele toestanden kunnen erkend worden en respectvol ingeschat worden met deze schaalvragen die bovendien de cliënt helpen uit te maken wat ze kunnen doen om deze toestanden te beïnvloeden of te veranderen indien dit noodzakelijk of gewenst is. Een bijkomend voordeel van dergelijke vragen voor emotioneel ontredderde cliënten is het feit dat de vraag zelf de boodschap in zich houdt dat de cliënt meer is dan zijn emotionele toestand. Dit helpt hen om een meer haalbaar en houdbaar perspectief te creëren voor deze gevoelens die anders zo overweldigend zouden worden dat ze te verlammend of beangstigend zouden zijn om ze luidop te erkennen. De vraag zelf bezorgt de cliënt een structuur om uit te maken waar hij staat in verhouding tot de intensiteit van zijn emotie zonder noodzakelijkerwijs te impliceren dat hij iets moet veranderen aan zijn emotionele toestand. Sinds ik (Yvonnene Dolan) me specialiseerde in het werken met posttraumatische stresssyndromen zie ik bijvoorbeeld geregeld cliënten met een heel recent trauma. Heel dikwijls spreken ze hun vrees uit dat ze zich altijd zo slecht zullen blijven voelen. Door hen te vragen zich voor te stellen wat het kleinste verschil zou zijn dat hen een beetje beter zou doen voelen, laten we hen toe ons te vertellen wat ze willen. Bovendien verduidelijkt de vraag zelf op een impliciete manier de erg noodzakelijke geruststelling dat de pijn niet altijd zo erg zal blijven.

Uitzonderingen
Een van de uitgangspunten van OT is het idee dat geen enkel probleem zich onophoudelijk voordoet. Dit wil zeggen dat er uitzonderingen zijn, momenten waarop het probleem niet optreedt. Het Milwaukee-team ontwikkelde eind jaren zeventig dit idee en het ontwikkelde zich tot een soort toverstaf binnen deze vernieuwende benadering. Als cliënten reeds een uitzondering hebben meegemaakt, een vroeger succes, waarom zou men dan niet proberen hen dit te laten herhalen totdat ze voldaan zijn over de manier waarop hun leven verloopt?

Het ontdekken van uitzonderingen leidde tot onmiddellijke verandering in de toon van onze sessies: de gesprekken tussen cliënt en therapeut werden hoopvol en optimistisch. Door vragen te stellen over de momenten waarop het probleem zich niet of in mindere mate voordoet, achterhaalt de therapeut voorbije uitzonderingen die de cliënt als hulpbron kan gebruiken voor verandering.

Complimenteren als interventie
Complimenten vormen een essentieel onderdeel van OT en dit ongeacht het aantal reeds gevoerde gesprekken. Het is onze manier dingen te erkennen die goed gaan in het leven van de cliënt. Ondanks het feit dat het er zo treurig uitziet, bevat het leven van een cliënt toch heel wat kleine successen, dingen die ze goed hebben gedaan of goed aan het doen zijn. Complimenten zijn er ook om te benadrukken dat er positieve intenties zijn of geweest zijn, zelfs als het niet verloopt zoals het bedoeld was.

De reacties van de cliënt op complimenten zijn gevarieerd en fascinerend. De meest voorkomende reactie is uiteraard dat de cliënt ontspant, een diepe zucht van verlichting slaakt, met hoofdknikken elk woord van de therapeut bevestigt en soms tot tranen toe bewogen kan zijn. Vaak voegt de cliënt er bevestigende informatie aan toe. Zoals de moeder die zei ‘Je weet niet eens de helft van wat ik de voorbije vijf jaar heb doorgemaakt’ toen ik haar er op wees hoe dapper ze zich er doorheen had geworsteld. Soms zal een cliënt verstomd zijn, letterlijk tot stilstand gebracht, door het gegeven compliment. We geloven dat complimenten cliënten helpen ondersteunen: het is mogelijk dat cliënten niet weten dat het normaal is dat iemand die een dierbare verloor, depressief is of dat het evident is dat een vrouw boos is als ze zopas vernomen heeft dat haar man de huwelijksbelofte verbreekt.

We geloven dat het valideren en erkennen van wat de cliënt goed aan het doen is en hoe ingewikkeld hun problemen zijn, hun de vrijheid geeft om te veranderen en de mogelijkheid biedt om een nieuwe aanpak uit te dokteren. Het lijkt hen ook de kans te bieden om na te denken over hoe ze hun leven voor zichzelf en voor anderen bevredigender kunnen laten zijn.

Het volgende voorbeeld benadrukt het gebruik van complimenten als interventie. Je zult merken hoe bevrijdend het werkt voor iemand om hem zijn gevoel van waardigheid terug te geven en het zelfvertrouwen te bevorderen over wat hij precies wil. Complimenten zijn uiteraard positief maar ze moeten prestaties of buitengewone inspanningen van de cliënt niet heel uitgesproken benadrukken. De volgende complimenterende interventie komt van onze collega Gale Miller die studenten geneeskunde traint in het efficiënt interviewen van patiënten.

Dokter : ‘Rook je ?’
Patiënt : ‘Vroeger wel, maar ik ben vier jaar geleden gestopt’
Dokter : ‘Dat is geweldig. Wat deed je beslissen om te stoppen ?’

Of een ander voorbeeld:

Dokter : ‘Rook je ?’
Patiënt : ‘Vroeger wel, maar ik ben vier jaar geleden gestopt’
Dokter : ‘Dat is geweldig. Hoe heb je dat gedaan ?’

De subtiele verandering in woordgebruik maakt een groot verschil. ‘Hoe’-vragen hebben de neiging de inventiviteit en het vernuft van de cliënt te benadrukken terwijl ‘waarom’-vragen peilen naar zijn motivatie. OT gebruikt ‘hoe’-vragen omdat ze impliciet de cliënt complimenteren.

Het therapeutisch proces van naald tot draad
Er kunnen verschillende stappen gezet worden om therapie korter en efficiënter te maken. Toch willen we er op wijzen dat een therapeutische sessie een complexe activiteit is en dat in de tijdspanne van een uur veel subtiele en ook minder subtiele voorvallen mogelijk zijn, zowel verbaal als non-verbaal. Hieronder benadrukken we gewoon de meest belangrijke gebeurtenissen die zich voordoen en die de sfeer scheppen tijdens de sessie.

Tijdens het eerste gesprek :

1° Vraag je cliënt: ‘Wat moet er gebeuren waardoor de ontmoeting van vandaag nuttig zal zijn geweest?’ Vraag zodra het gewoon genoeg lijkt om in plaats van over problemen te praten, wat het resultaat zal zijn dat de cliënt duidelijk zal maken dat deze sessie nuttig en bruikbaar was. Onderhandelen over einddoelen impliceert dat er een einde komt aan hun lijden.

2° Terwijl cliënt meer details geeft over de oplossing, zou de therapeut vragen moeten stellen over uitzonderingen. Deze vragen doen vroegere successen van de cliënt in de omgang met de problemen aan het licht komen. Als het antwoord op de vraag naar uitzonderingen positief is, vraag dan meer details over hoe cliënt erin geslaagd is zijn gewone manier van handelen te veranderen. Bijvoorbeeld: ‘Vertel me eens over de laatste keer dat je de lakens weer over je hoofd had kunnen trekken en de hele dag in bed had kunnen blijven maar er op de een of andere manier toch in slaagde jezelf zover te krijgen om op te staan?’ Let op de correcte bewoording van deze vraag die doet veronderstellen dat de cliënt op een succesvolle manier de verleiding weerstond om in bed te blijven en zich depressief te voelen. Het feit dat de cliënt voor de therapeut zit of staat en aan het vertellen is, betekent dat hij er op de een of andere manier in geslaagd is om die morgen op te staan. Deze manier van ondervragen helpt de cliënt om zijn perceptie te veranderen. Hij kan het gevoel hebben om vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week door het leven overrompeld te worden, maar als de feiten het tegenovergestelde bewijzen, zal hij zijn kijk op de werkelijkheid wijzigen. Uitzonderingen op het probleem benadrukken niet alleen de competentie van de cliënt, maar wijzen ook de richting aan van waaruit de oplossing kan komen.

3° Stel de wondervraag, zelfs al heb je een eigen idee over de oplossing. Het beantwoorden van de wondervraag helpt de cliënten beseffen dat ze heel wat goede ideeën hebben voor de veranderingen die ze in hun leven willen realiseren. Het zich gaan voorstellen van de details van het wonder levert de cliënten heel wat praktische informatie op over hoe ze positieve wijzigingen op gang kunnen brengen. Zorg ervoor dat bij het wonder iedereen betrokken wordt die in het leven van de cliënt belangrijk is: de kinderen, de beste vriend of vriendin, de meest ondersteunende figuur uit de omgeving, en hoe deze zouden reageren op de eerste probleemloze dag direct na het wonder. Het betoverende van de wondervraag is dat alle ideeën over de oplossing van de cliënt zelf komen en gebaseerd zijn op zijn vroegere ervaringen en niet van de therapeut. Wees erop voorbereid dat je zeer ontroerende oplossingen te horen kunt krijgen. Zoals de moeder die antwoordde ‘dat het eerste dat ze zou doen het kammen van het haar van haar kleine dochter zou zijn voordat die naar school vertrok.’ Het leek een klein en onbelangrijk idee tot de therapeut de moeder vroeg wat dit voor haar dan wel zou betekenen. En de moeder zei dat ze dan niet zoals gewoonlijk cocaïne zou hebben gebruikt tijdens de voorbije nacht, maar dat ze in staat zou zijn om samen met haar dochter op te staan in plaats van de hele dag te slapen na de hele nacht drugs te hebben gebruikt.

4° Probeer te weten te komen wat de meest recente ervaring van de cliënt was met het wonder of zelfs maar het kleinste deeltje ervan. Dit is van cruciaal belang want als de cliënt, al was het maar een halve dag, controle had over het probleem, dan heeft hij de mogelijkheid dit uit te breiden over een ganse dag, twee dagen of nog meer. Veel beginnende OT- therapeuten melden dat het in dit stadium is dat ze het spoor kwijtraken omdat de cliënten vaak hun reeds bereikte kleine successen nog verder minimaliseren of hun wonder ombuigen tot het praten over problemen. Als dit gebeurt, moet de therapeut het gesprek heroriënteren naar de succesvolle strategieën die de cliënt eerder naar voren bracht. De therapeut moet hier zo lang mogelijk de aandacht op blijven richten. Vraag opnieuw wat andere belangrijke personen uit het leven van de cliënt zouden zeggen als ze uitleg zouden geven over hoe de cliënt deze kleine verbeteringen tot stand bracht.

5° Wanneer je het gevoel hebt dat je de uitzonderingen voldoende aan bod hebt laten komen, kun je overgaan tot het stellen van vragen over het niveau van zelfvertrouwen. Het is altijd goed om uit te leggen en duidelijk te maken waar 1 voor staat en wat 10 betekent, zodat de cliënt niet gaat zweven in een theoretische en wiskundige ruimte. Zelfs als de therapeut zeer goed duidelijk heeft gemaakt wat de cijfers betekenen, zullen sommige cliënten antwoorden geven in de zin van ‘Ik sta vandaag op 132!.’

6° Wanneer de cliënt er zeker van is dat hij zijn succesvolle strategie kan herhalen, zou het gesprek moeten overstappen naar ‘Wat zal ervoor nodig zijn om deze oplossing opnieuw te laten plaatsvinden?’ Het is opnieuw van belang dat de cliënt een waaier van details van de oplossing naar voren brengt omdat dit werkt als een soort generale repetitie.

7° Op het einde van de sessie zal de therapeut gewoonlijk een samenvatting geven van wat hij van de cliënt gehoord heeft wat betreft competenties, successen, positieve intenties, en hoe de cliënt daar tegen alle verwachtingen in in geslaagd is. Het is uiteraard normaal dat dit de therapeut ertoe brengt de cliënt een compliment te geven. Dit compliment wordt dan gevolgd door een suggestie voor huiswerk. Suggesties voor OT-huiswerk liggen meestal in de lijn van ‘doe méér van wat werkt’.

De tweede sessie begint meestal met ‘Wat gaat er beter, zelfs al is het maar een klein beetje?’ Merk op dat de zinsstructuur doet veronderstellen dat er iets beter is en dat de therapeut geïnteresseerd is om er meer over te weten te komen. Let op het verschil met een vraag als ‘Hoe gaat het ermee?’ of ‘Is er iets verbeterd sinds onze vorige ontmoeting?’ Zoals men merkt, is de OT-vraag ontworpen om de winst of vooruitgang die de cliënt boekte tussen de eerste en tweede zitting aan het licht te brengen. Zodra deze vooruitgang, hoe klein ook, benoemd is, zal het gesprek als bijna vanzelfsprekend overgaan in het praten over de details van wie wat deed, wanneer, waar en hoe. De opdracht bestaat er dan uiteraard in om het succesvolle moment vast te houden en het ene succes boven op het andere te stapelen totdat de schaalvragen aantonen dat de cliënt tevreden is met de geboekte vooruitgang in het uitwerken van oplossingen en hij op dat ogenblik kan beslissen om de therapie af te sluiten.

Dit is een noodzakelijkerwijs kort gehouden beschrijving van wat er zich bij een meerderheid van OT-casussen voordoet. Het is natuurlijk moeilijk om een beschrijving te geven van de rijkdom aan mooie details van alle onverwachte bochten en wendingen die zich kunnen voordoen als we te maken hebben met het echte leven en de wijze, maar ook onverstandige dingen die wij als mensen kunnen doen. Maar men kan merken dat de nadruk ligt op het feit dat de cliënt een leven met voldoening leidt buiten de therapiekamer, dus anders dan theoretisch pratend over het leven met de therapeut in de veilige en comfortabele omgeving van de spreekkamer in plaats van het leven echt te leven. Het lijkt erop dat dit een kwestie is van gezond verstand, van logisch, redelijk en eenvoudig redeneren, maar het gaat niet altijd vanzelf. Eenvoudig is niet gemakkelijk en het vergt discipline om eenvoudig te blijven.

Focussen op het werkelijke leven binnen een sociale context: relatievragen
Bij OT wordt vanaf het begin een positieve verhouding tussen cliënt en therapeut gerealiseerd. Het is de verantwoordelijkheid van de therapeut om zoveel mogelijk te weten te komen over het denkproces van de cliënt, zijn wereldbeeld, zijn levensvisie en -oriëntatie en zich in te voegen bij deze standpunten. De therapeut moet werken binnen de denkwereld van de cliënt en niet proberen deze te veranderen. Daarom nemen we aan dat we als therapeuten verplicht zijn om ons onmiddellijk op te stellen aan de zijde van de cliënt en zeker nooit oppositie mogen voeren. We zijn er strikt aan gehouden om ervoor te zorgen dat we altijd met de cliënt werken.

Heel dikwijls is het uit de rijkelijk gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen uit het echte leven dat ons waardevolle informatie geboden wordt over wie en wat belangrijk is voor de cliënt. We gaan ervan uit dat het besteden van aandacht aan de relaties die voor de cliënt belangrijk zijn, impliceert dat de therapie kort zal zijn en dat onze taak beperkt zal blijven tot het assisteren in het op een praktische manier verder verrijken van zijn leven. De klemtoon tijdens de gesprekken zou dus ten alle tijden moeten liggen op het leven van de cliënt buiten de therapiekamer. Men kan de OT-therapeut in dit verband vragen horen stellen in de trant van:

  • ‘Wat denk je dat je vrouw zou zeggen wanneer ze zou uitleggen hoe je haar behulpzaam bent geweest?’ of ‘Wat zou je vrouw zeggen over hoe ze zou willen dat je haar behulpzaam zou zijn?’
  • ‘Hoe zou ze weten dat er een wonder gebeurde tijdens de nacht zodat je drankprobleem opgelost was zonder dat je het haar vertelde?’
  • ‘Wat zouden je kinderen opmerken dat verandert bij jou, dat hen duidelijk zou maken dat ze niet langer bezorgd moeten zijn over je gezondheid (depressie, woede, angst, humeur, enzovoort?’
  • ‘Hoe zouden je kinderen anders zijn wanneer jij en je partner in staat zouden zijn om met elkaar te praten zonder te schreeuwen en te schelden? Wat zouden ze zeggen als ze zouden uitleggen hoe dit voor hen nuttig zou zijn?’
  • ‘Wat zou je beste vriend aan mij vertellen wanneer hij of zij zou uitleggen hoe je blijft overleven temidden van al deze vreselijke toestanden?’
  • ‘Wat heb je opgemerkt dat anders is in je familie dat je duidelijk maakt dat ze opgelucht zijn dat je je beter voelt?’

Vragen die de cliënt terugplaatsen in de realiteit van het dagelijkse leven bewijzen hem dat we geïnteresseerd zijn in de relaties met betekenisvolle personen uit deze wereld. Merk ook op dat deze vragen de cliënt verplichten om uit zijn eigen denkwereld te stappen om zichzelf te observeren door de ogen van mensen die hem van dichtbij kennen.